
|
Een visioen In januari 1351 knielt een als zonderling bekend staande bedelaar neer op de Markt in Delft. Zijn naam is broeder Symon. Volgens de ‘Beschrijvinge der Stadt Delft’ uit 1667 komt een zekere Jan Col hem wat eten brengen. Hij wordt door Symon aangesproken met: “O myn uytverkooren live vriendt en siedt dy niet den Hemel open?” Beiden kijken in de lucht en zien daar, volgens de overlevering, een ‘goude Kerck’, gewijd aan Maria. De bedelaar sterft kort daarop, maar Jan Col blijft dertig jaar lang, telkens op diezelfde januaridag, een ‘schoon licht ende klareheydt’ zien op de plek die broeder Symon heeft gewezen. Hij vindt dat er op die plaats een kerk moet komen. Wanneer twee ‘sonderlinge devote Bagynen’ het verzoek steunen en een van hen bovendien de stigmata van Christus aan het kruis vertoont, besluit het stadsbestuur ‘by consent’ op die plek een kerk te bouwen. Pas wanneer die er staat en gewijd is, verdwijnt het jaarlijkse visioen van Jan Col. |
|
Houten kerk Symboliek De stenen basiliek ontstond in drie fasen. Eerst werd het dwarsschip gebouwd, tegen de oostelijke wand van de houten kerk. In diezelfde periode bouwde men het koor en het onderste deel van de toren. In de tweede fase werden het middenschip, de zijbeuken, het dak en de onderste achtkant van de toren neergezet. Pas daarna, in de tweede helft van de 15de eeuw verrees de kooromgang, werd de zuiderzijbeuk verlengd tot langs de toren en werd de toren voltooid met de tweede achtkant en een reusachtige appel als bekroning. Op 6 september 1496, precies honderd jaar na het begin van de bouw, was de toren klaar. Met de hand Groter
Bij de hierop volgende restauratie verdween de appel van de toren. Dit bolvormig symbool van oneindigheid werd vervangen door een lage spits. Overigens werd ook deze spits in 1872 door de bliksem vernield. Pas toen verrees de huidige torenspits en kwam de totale hoogte van de toren op 108,75 meter, ofwel 356 traptreden om te beklimmen. Een afmeting die in Nederland alleen door de Utrechtse Domtoren wordt overtroffen. De beeldenstorm van 1566 liet ook in de Nieuwe Kerk haar sporen na. Een beschadigd beeldhouwwerk, ter hoogte van de eerste pilaar in de zuidbeuk, is alles wat nog aan de oorspronkelijke Rooms-Katholieke inrichting van de kerk herinnert. In 1572 ging het gebouw over naar de Hervormde Kerk. Met de beeldenstorm was de rampengeschiedenis van de Nieuwe Kerk nog niet ten einde. Op 12 oktober 1654, net na het middaguur, klonk wat later de ‘Delftse donderslag’ genoemd zou worden. Negentigduizend pond buskruit ontplofte in het Delftse kruithuis. De ontploffing ontzette de muren van de Nieuwe Kerk. De daken en de gebrandschilderde ramen werden vernield. Met het herstel van de kerk werd nog diezelfde winter een begin gemaakt. In het voorjaar van 1655 kon de kerk weer in gebruik worden genomen. ( bron http://www.nieuwekerk-delft.nl/ ) |

Het
bouwen van de toren van de Nieuwe Kerk was,
zelfs naar huidige maatstaven, een huzarenstukje.
Iedere brok steen, iedere schep cement, moest
met de hand of aan katrollen naar boven worden
vervoerd. Bovendien bestond de ondergrond uit
een moerassig rietland. Sommige deskundigen
veronderstellen zelfs dat de lichtvisioenen van
broeder Symon en Jan Col, niets anders dan
moerasgasbrandjes waren. In de 15de eeuw nam men
het risico van verzakking op deze ondergrond
voor lief. Pas bij een restauratie in 1933 zijn
er onder de kerk betonnen boorpalen gezet.
Opgravingen hebben aangetoond dat de vloer van
de houten noodkerk waarschijnlijk meer dan twee
meter lager ligt dan de huidige kerkvloer.
Destijds hield men rekening met zulke
verzakkingen. Om die reden werden geen stenen
gewelven aangebracht. Die zouden makkelijk
kunnen scheuren.
Rampen





