Een visioen
In januari 1351 knielt een als zonderling bekend staande bedelaar neer op de Markt in Delft. Zijn naam is broeder Symon. Volgens de ‘Beschrijvinge der Stadt Delft’ uit 1667 komt een zekere Jan Col hem wat eten brengen. Hij wordt door Symon aangesproken met: “O myn uytverkooren live vriendt en siedt dy niet den Hemel open?” Beiden kijken in de lucht en zien daar, volgens de overlevering, een ‘goude Kerck’, gewijd aan Maria. De bedelaar sterft kort daarop, maar Jan Col blijft dertig jaar lang, telkens op diezelfde januaridag, een ‘schoon licht ende klareheydt’ zien op de plek die broeder Symon heeft gewezen. Hij vindt dat er op die plaats een kerk moet komen. Wanneer twee ‘sonderlinge devote Bagynen’
het verzoek steunen en een van hen bovendien de stigmata van Christus aan het kruis vertoont, besluit het stadsbestuur ‘by consent’ op die plek een kerk te bouwen. Pas wanneer die er staat en gewijd is, verdwijnt het jaarlijkse visioen van Jan Col.

Houten kerkHouten kerk
De kerk die na de visioenen van broeder Symon en Jan Col op de Markt verrees, was de tweede parochiekerk van Delft en werd de ‘Nieuwe Kerk’ genoemd. Aanvankelijk bestond de kerk uit een houten noodgebouw, waaromheen een eeuw lang gebouwd werd aan de basiliek zoals we die nu kennen. De houten kerk, die tot 1420 is blijven staan, was gewijd aan Maria. Nog tijdens de bouw van de stenen basiliek, werd Sint Ursula de tweede beschermheilige van de Nieuwe Kerk.

Symboliek
Het ontwerp van de laatgothische kruisbasiliek, die vanaf 1396 op de Markt werd gebouwd, beantwoordt aan preciese en door de symboliek gedicteerde regels. De kruisvorm verwijst naar Christus, de twaalf zuilen in het koor naar de twaalf apostelen, de vier vieringpijlers staan voor de vier evangelisten en de zestien zuilen in het schip voor de zestien profeten. De bouw voltrok zich letterlijk om de houten noodkerk heen. De wat vreemde uitbuiging van de wanden van het dwarsschip naar de oostkant wordt aan een kleine misrekening geweten. De fundering kwam dichter bij de houten kerk uit dan voorzien.

De stenen basiliek ontstond in drie fasen. Eerst werd het dwarsschip gebouwd, tegen de oostelijke wand van de houten kerk. In diezelfde periode bouwde men het koor en het onderste deel van de toren. In de tweede fase werden het middenschip, de zijbeuken, het dak en de onderste achtkant van de toren neergezet. Pas daarna, in de tweede helft van de 15de eeuw verrees de kooromgang, werd de zuiderzijbeuk verlengd tot langs de toren en werd de toren voltooid met de tweede achtkant en een reusachtige appel als bekroning. Op 6 september 1496, precies honderd jaar na het begin van de bouw, was de toren klaar.

Met de hand
HandwerkHet bouwen van de toren van de Nieuwe Kerk was, zelfs naar huidige maatstaven, een huzarenstukje. Iedere brok steen, iedere schep cement, moest met de hand of aan katrollen naar boven worden vervoerd. Bovendien bestond de ondergrond uit een moerassig rietland. Sommige deskundigen veronderstellen zelfs dat de lichtvisioenen van broeder Symon en Jan Col, niets anders dan moerasgasbrandjes waren. In de 15de eeuw nam men het risico van verzakking op deze ondergrond voor lief. Pas bij een restauratie in 1933 zijn er onder de kerk betonnen boorpalen gezet. Opgravingen hebben aangetoond dat de vloer van de houten noodkerk waarschijnlijk meer dan twee meter lager ligt dan de huidige kerkvloer. Destijds hield men rekening met zulke verzakkingen. Om die reden werden geen stenen gewelven aangebracht. Die zouden makkelijk kunnen scheuren.

Groter
Met de voltooiing van de toren was het bouwen aan de Nieuwe Kerk niet ten einde. In het eerste kwart van de 16de eeuw werd het noorder dwarsschip verlengd en kwam er een doopkapel naast de toren. Ook werden de fundamenten gelegd voor een vergroting van zuiderdwarsschip en -beuk. Waarschijnlijk was dit een reactie op soortgelijke plannen die voor de Oude Kerk bestonden. Die dreigde daarmee groter van omvang te worden dan de Nieuwe Kerk. De uitbreidingen van beide kerken zijn wel voorbereid, maar nooit gerealiseerd.

RampenRampen
Nog geen halve eeuw na de voltooiing, sloeg op 3 mei 1536 de bliksem in de toren. De brand die vervolgens ontstond, verwoestte onder een stevige oostenwind vrijwel alles wat in Delft ten westen van de Nieuwe Kerk lag. Van de kerk zelf brandde de toren gedeeltelijk af. Ook het orgel, de klokken
en de gebrandschilderde ramen gingen verloren.
Het dak van de lichtbeuk stortte in.

Bij de hierop volgende restauratie verdween de appel van de toren. Dit bolvormig symbool van oneindigheid werd vervangen door een lage spits. Overigens werd ook deze spits in 1872 door de bliksem vernield. Pas toen verrees de huidige torenspits en kwam de totale hoogte van de toren op 108,75 meter, ofwel 356 traptreden om te beklimmen. Een afmeting die in Nederland alleen door de Utrechtse Domtoren wordt overtroffen. De beeldenstorm van 1566 liet ook in de Nieuwe Kerk haar sporen na. Een beschadigd beeldhouwwerk, ter hoogte van de eerste pilaar in de zuidbeuk, is alles wat nog aan de oorspronkelijke Rooms-Katholieke inrichting van de kerk herinnert. In 1572 ging het gebouw over naar de Hervormde Kerk.

Met de beeldenstorm was de rampengeschiedenis van de Nieuwe Kerk nog niet ten einde. Op 12 oktober 1654, net na het middaguur, klonk wat later de ‘Delftse donderslag’ genoemd zou worden. Negentigduizend pond buskruit ontplofte in het Delftse kruithuis. De ontploffing ontzette de muren van de Nieuwe Kerk. De daken en de gebrandschilderde ramen werden vernield. Met het herstel van de kerk werd nog diezelfde winter een begin gemaakt. In het voorjaar van 1655 kon de kerk weer in gebruik worden genomen.

( bron http://www.nieuwekerk-delft.nl/ )

Geschiedenis van de Koninklijke grafkelder

Zegel grafkelder vam de Oranjes